Work(ing) Transition

Work(ing) Transition

Ruimte voor ‘Wild’. Een tiendaagse studie van de Vaart-omgeving van Leuven vanuit een werkplek in Abdij Keizersberg door De Andere Markt
De Andere Markt (Pablo Calderón, Liesbeth Huybrechts en Mela Zuljevic)

*Je kan de subjectieve kaart/magazine met alle verzamelde indrukken, gesprekken en reflecties in de Vaart-omgeving HIER zien*

Wij van De Andere Markt (UHasselt/LUCA School of Arts), een ontwerplabo dat samen met de bevolking denkt en werkt rond de toekomst van werk in Genk, verhuisden ons labo gedurende de LUCA Biënnale tien dagen (1-11 december 2017) naar Abdij Keizersberg in Leuven en het omliggende park om daar een alternatief perspectief te ontwikkelen op de ontwikkelingen van de Vaart-omgeving als werk-, woon- en verblijfsomgeving. De voormalige industriële omgeving van de Vaartkom is momenteel in volle  transitie en wordt herbestemd als een creatieve hub.

Wij ervaarden de abdij als een plek van stil verzet tegen de snelle veranderingen. De bewoners volgen nog steeds de regel en regelmatige dagstructuur van Sint-Benedictus en zijn omgeven door een groen productief landschap met schapen en bijen. Het omliggende park is een plek waar de natuur nog wild mag zijn en jongeren zich nog kunnen terugtrekken in hun eigen verborgen wereld. Vanuit het oogpunt van deze abdij, gelegen op een groene berg, brachten we de verhoudingen van de lokale mensen en organisaties ten opzichte van werk in de rest van de Vaart-omgeving in kaart. Hoe verhouden de werkpraktijken van deze mensen en organisaties zich ten opzichte van de huidige omvorming van de site? We bevroegen zowel figuren die de site in het verleden vormgaven (via archieven en mondelinge geschiedenis), als actoren die er vandaag aanwezig zijn. Met hen en vanuit hun vaardigheden gaven we de toekomst van de site vorm en dachten we na over alternatieven voor of varianten op het – vaak – “one-size-fits-all” transitiemodel van industrieel erfgoed naar creatieve industrie.

Meer concreet, bouwden we gedurende deze tien dagen een installatie, bestaande uit een grote kaart van de Vaart-site en portretten van mensen en verhalen over hoe zij deze site zien. De unieke uitgangspositie van de abdij maakte dat wij en onze bezoekers met een frisse blik naar de omgeving konden kijken. Samen met Jonas Knapen en Valentine Van den Eynde (a2o architecten), Karen Lens (UHasselt), Daan Van Tassel en Han Vloeberghs (Stad Leuven) en Hendrik De Smedt (desmedt architecten) werkten we in twee workshops voor en na onze gesprekken op de site, toe naar een een reflectie op de toekomst van de omgeving. Deze gesprekken en workshops leidden tot een magazine, dat je kan samenstellen tot een grote subjectieve kaart van de Vaart-site of eenvoudiger gezegd: een kaart door de ogen van de gebruikers.

Onze observaties en gesprekken maakten duidelijk dat de ontwikkelingen in de Vaart-kom erg gewaardeerd worden en als een opwaardering van deze zone in Leuven gezien wordt. De ontwikkelingen hebben (bepaalde delen van) Wilsele en Leuven een nieuw centrum gegegeven. Maar zoals in elke ontwikkeling het geval is, zijn er nog uitdagingen. Die uitdaging lag voelbaar in een nood van de bewoners aan een meer – vergelijkbaar met de abdij – wilde en betaalbare ontmoetingsplekken in de stad, die open zijn voor diverse groepen van mensen (jong, oud, verschillende inkomens), zowel voor mensen uit Leuven en omstreken, als voor de bewoners van Wilsele. Dit zijn plekken waar informeel ontmoet, verbleven, geëxperimenteerd kan worden en die kunnen meegroeien met de mensen die ze bevolken. Het zijn – hoewel meestal niet bedoeld – omgevingen van verzet tegen zowel status-quo van wonen , werken en verblijven én tegen tabula rasa/kaalslag van nieuwe ontwikkelingen. Deze bieden inspiratie om op een co-productieve wijze nieuwe manieren van wonen, werken en verblijven te ontwikkelen.

We ervaarden de grotere omgeving van en langs de Vaart als een plek die kan vormgeven worden als interface van werk in de stad met een meer “wild” leven, op vlak van natuur, beweging en nieuwe werkvormen, maar ook nog niet ontdekte en bestemde plekken. De Vaart-site heeft die rol historisch vervuld en kan die opnieuw vervullen in de toekomst, op een hedendaagse manier. Na een aantal transitiebewegingen moeten we opnieuw op zoek gaan naar die rol.

De eerste transitie vond plaats met de aanleg van de vaart. Deze was een verregaande inperking van het voorheen ‘wilde karakter’ van de ontoegankelijke Dijle-vallei. Plotsklaps werd een oncontroleerbaar overstromingsgebied een volledig uitgekiende industriële zone. Aanvankelijk voornamelijk ten oosten van de Vaart, nadien geleidelijk ook ten westen, met conservenfabriek Marie-Thumas, sigarenfabriek Vander Elst enzovoort. De uitgekiende, maar toch ook wel ruwe en – snel ook – sterk vervuilde Vaart-site ontwikkelde zich als site voor werk in het industriële tijdperk. Het “wilde” van de vallei en de topografie blijft wel nog steeds voelbaar in dit stadsdeel, hoewel het rechttrekken van de Dijle langs de huidige Dijledreef heeft het wilde meanderende karakter ervan teniet heeft gedaan. Er zijn nog wel enkele decennia enkele afgesneden meanders blijven bestaan, en er bestonden ‘maisons de plaisance’ aan die vijvers. Op oude kaarten (eind 19e eeuw) vind je bijvoorbeeld de ‘champs élysées’, een koffiehuis waar wandelaars kwamen verpozen tijdens een tochtje langs de Vaart. Dat bleef ook nog bestaan bij de komst van de industrieën.  

De tweede transitie vindt plaats wanneer in de Vaart-site gebouwen die stilaan leeg komen te staan, informeel ingenomen worden, na het wegtrekken van de grote industrie. Werken en wonen beginnen zich door die informele praktijken te vermengen. De site wordt langzaamaan proper gemaakt. Milieubelastende bedrijven moesten vertrekken. Zo heeft bijvoorbeeld de verbrandingsoven van Indaver plaats moeten ruimen voor Machiels ten oosten van de Vaart.

In een derde transitie, die nu volop bezig is, is een meer georganiseerde herbestemming van de industriële gebouwen aan de gang. De Vaartkom wordt woongebied en werk wordt heruitgevonden door “plekken” opnieuw in te richten. Dit heeft te maken met de opkomst van de creatieve economie, aangestuurd door het stadsvernieuwingsproject Vaartopia. Wilsele wordt ook stilaan minder een romantisch “dorp”, maar een actieve gemeenschap van mensen die van het hele land naar daar verhuisd zijn, na het studeren in Leuven. Zij willen deel uitmaken van de stad en zien de Vaart-omgeving als hun verbinding met die stad. Zij ijveren dan ook voor betere verbindingen. Tegelijkertijd zorgen deze beperkte verbindingen met de binnenstad voor een natuurlijke rem op de ontwikkelingen die de kwaliteiten van Wilsele als dorp zouden kunnen verminderen, met name rust, groen en open ruimte. De beperkte verbindingen zijn vandaag de prijs die Wilsele betaalt om ‘dorp’ te blijven.

De uitdaging voor planning en ontwerp zit daarom vandaag minder in de reeds veelvuldig herontworpen gebouwen, maar meer in de (trage) verbindingen, die nog weinig ontwikkeld zijn. In een 4de transitie kunnen deze trage verbindingen weer het wilde leven en de meer verwilderde, slechts deels toegankelijke, natuur binnentrekken in de Vaart-omgeving en bij uitbreiding in de stad. De nieuwe ontsluitingen hoeven geen katalysator te zijn voor nieuwe ontwikkelingen. Enkel met de juiste schaal (bv die van het dorp) en gevoeligheid kan het wilde en informele karakter overleven. Dat betekent dat we aan (trage) verbindingen moeten werken die in een bepaalde hiërarchie kunnen samenwerken.

 

  1. De ontwikkeling van een – nu nog maar fragmentair bestaande – groene route achter de Vaart.

Deze route herbergt veel wilde natuur en kan functioneren als – wanneer beter verbonden – ecologische corridor en wandelpad. Deze hooggelegen route is tegelijk een uitkijkplaats, waar je de stad kan aanschouwen. Met de abdij-site als uitvalsbasis kan het een avontuurlijk wandel- en klim pad worden dat goed aangesloten wordt op een fietsroute doorheen Wilsele. We zien hier een overgang van de stille verborgen plek in de abdij, naar meer dynamisch spelen (speeltuin, groene ruimtes, scouts, … in Wilsele), naar sporten (sporthal, voetbalveld, klimmen) en beweging,…

 

  1. De verdere ontwikkeling van de bestaande blauwe route naast de Vaart als meer stedelijk “wild”.

Dit door op deze verbinding meer ruimte te bieden voor een grotere diversiteit aan trage weggebruikers en gebruikers van de publieke ruimte: fietsers, voetgangers, kinderen, jeugd, recreatieve sporters. Dit meervoudig gebruik is niet evident wegens de eerder smalle Begaultlaan naast de Vaart achter de brug en diens intens en noodzakelijk gebruik voor bedrijvigheid en als fietsostrade. Vandaag zien we langs het water het ontmoeten plaatsvinden aan de Lidl (jongeren), in het OPEK en De Hoorn (dertigers), en in de Vaartkom (speeltuigen en boten voor kinderen) en onder de brug van de Ludenscheidsingel als van de E314 (buitensport). Na de brug aan de Vaartkom valt het ontmoeten grotendeels stil, hoewel de functies van de boten (ijsjes, eten, feesten) en de kajakclub toch uitnodigen om daar meer ruimte voor te maken.

 

  1. Het ontwikkelen van verbindende routes tussen de blauwe en groene aders.

Hier kunnen gebouwen en bestaande wegen herontworpen worden als interfaces van de ene naar de andere route en dus tussen de stad en het wilde leven. Deze routes kunnen mogelijk verder doorgetrokken kunnen worden naar de stad. Ankerpunten zijn hier

  • De abdij als aankomstplek voor de groene route.
  • De Lidl als letterlijke brug naar Wilsele.
  • De loods als kruispunt tussen de Vaart en Wilsele
  • De Marie Thumas, een plek geheel eigen aan Wilsele/Leuven, een plek waar wonen, werken, ontspannen, ontmoeten en verbinden op een spontane en ongedwongen manier in elkaar overlopen. De bonte en hybride ontwikkeling van de Marie Thumas is geen bewuste beleidskeuze geweest, maar een gevolg van de aard van de eigendom en van de open architectonische structuur van het gebouw (en het doolhofgevoel binnenin). Van de verschillende private lofts wist de stad zelfs tot voor kort niet dat ze bestonden. Toch is dit het hybride gebouw bij uitstek, waar veel overheden vandaag naar streven. Dit gebouw kan nog meer dan vandaag de hybride ontmoetingsplaats worden tussen het reeds bestaande creatieve stedelijke leven, de sportfuncties in het gebouw en het groen dat er achter ligt. Het bestaande café van de fitnessruimte kan meer tastbaar worden in de publieke ruimte en meer een buurtfunctie gaan vervullen.
  • De moskee en de stadswerkplaatsen zijn beiden plekken met een belangrijke sociale en publieke functie, die evenwel niet in de publieke ruimte voelbaar is door het ontbreken van een gezicht.
  • De huidige site van handelaar bouwmaterialen “André Celis” kan samen met het terrein op de hoek van de Pastoor Legrandstraat ontwikkeld worden door en met mensen in de Leuvense gemeenschap tot een nieuwe wijk, waar werken, wonen en groene recreatie elkaar versterken. De ontwikkeling biedt nieuwe impulsen voor het versterken van het dorpsleven, met kleinere commerciële functies, rond de kerktoren.
  • Het fietsknooppunt met daarachter de Sportschuur als fietshub en rustpunt.

Met het ontwikkelen van die trage verbindingen die de interface moeten vormen tussen de stad en het “wilde leven” behoort ook een ontwerp van wayfinding, navigatie, de weg vinden en aanduiden. Het groene Wilsele staat bijvoorbeeld niet aangeduid op kruispunt fietsnetwerk Leuven-Herent. Ook moet er nagedacht worden over parkeren in relatie tot woonomgeving en de trage verbindingen, en het waarderen van de zone ten westen van de Vaart als leefomgeving.

Met andere woorden, we zien het ontwerpen van plekken en vooral verbindingen met een “wild” hart, als ontwerpuitdaging voor de toekomst. Dit wilde leven omvat voor ons geen romantisch teruggaan naar het verleden. We pleiten eerder voor het op een hedendaagse manier verweven van nieuwe en noodzakelijke ontwikkelingen met wat rock-’n-roll, in het binnen-, maar vooral in het publieke buitenleven.

 

Advertisements